naar startpagina
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
de leeswolf,  2006,  nr. 6 / september
Kuifje in Wonderland
David Mitchells wervelende universum / door Kris van Zeghbroeck
De romanschrijver David Mitchell laat een frisse wind waaien door het door de kritiek al vaak ten dode opgeschreven Britse literaire landschap. Niet dat hij zich naar eigen zeggen bewust is van het vernieuwende karakter van zijn romans. Zelf probeert hij boeken te schrijven die hem als lezer zouden boeien, wat hem schatplichtig maakt aan een eindeloze reeks auteurs uit de internationale literatuur die hem beïnvloed hebben, van Jorge Luis Borges en Italo Calvino over Vladimir Nabokov en John Banville tot Ursula LeGuinn en Haruki Murakami. Als Kuifje in Wonderland exploreert Mitchell het literaire universum, om vervolgens zelf een enthousiast lezerspubliek achter zich aan te lokken.

David Mitchell werd geboren in Southport in 1969 en groeide op in Malvern, Worcestershire. Hij studeerde Engels en Amerikaanse literatuur aan de universiteit van Kent waar hij een MA in vergelijkende literatuurwetenschap haalde. De lokroep van het buitenland was erg sterk voor Mitchell. Hij woonde een jaar in Sicilië voor hij een Japans meisje achterna reisde en neerstreek in Hiroshima, waar hij Engels gaf aan studenten van een technische school. Acht jaar verbleef Mitchell in Japan, voor hij zich met zijn Japanse vrouw Keiko (niet diegene die hij achterna reisde) — met wie hij intussen twee kinderen heeft — in Ierland vestigde. Zijn jarenlange verblijf in Japan maakt dat Mitchell de taal spreekt. Naar eigen zeggen goed genoeg om met zijn vrouw in discussie te treden, maar onvoldoende om een echtelijke twist te winnen, laat staan literatuur in het Japans te lezen.
Mitchells schrijverschap is sterk gerelateerd aan zijn vermogen om zich in zichzelf terug te trekken en de maatschappij rondom hem los te laten. Als stotterend kind voelde hij zich uitgesloten en kon hij soms dagenlang aan één stuk mokken, enkel om zich te isoleren. Als volwassene koos Mitchell bewust voor het isolement. De voorkeur om in het buitenland te wonen, vloeit daaruit voort. Japan was een godsgeschenk. De Japanse samenleving fungeert nl. als een gesloten geheel dat buitenstaanders — hoe goed die zich ook trachten te integreren — per definitie uitsluit. Ideaal voor Mitchell om in zijn eigen wereld op te gaan en zich te verliezen in de interne monologen die zijn schrijfstijl sterk bepalen. In die zin was Japan, meer dan de Japanse cultuur, cruciaal voor zijn ontwikkeling als schrijver. Waar hij zich voorheen niet voldoende kon concentreren om zijn schrijversdroom waar te maken, kon hij vanuit Japan wel debuteren. Zijn jarenlange verblijf daar heeft onvermijdelijk een aantal sporen nagelaten in zijn werk. Zo bevatten de intoxicerende verhalen van zijn eerste drie romans duidelijke invloeden van de Japanse schrijver Haruki Murakumi en spelen de eerste twee romans zich geheel of gedeeltelijk af in Japan en het Verre Oosten. Zelf vestigt Mitchell de aandacht op Shusaku Endo, de meester van de historische roman. Feit blijft dat het Land van de Rijzende Zon het toevluchtsoord van Mitchell bij uitstek blijft. Na twee jaar in een Iers dorpje in County Cork gewoond te hebben, verkast het gezin terug naar Japan, weg van de alles consumerende boekenpromotie: “It’s sort of easier when you’re in a third country. When things go wrong, it’s nobody’s fault.” Of zoals A.S. Byatt het formuleert: “He needs time and space to write those long intricate books and I think he has the good sense and confidence to give them to himself.”
Bij het verschijnen sloeg Mitchells debuut, Ghostwritten (1999 — vert. De geestverwantschap) in als een bom en wist hij meteen het hart van collega-auteurs als A.S. Byatt en Lawrence Norfolk te veroveren. ‘Rollercoaster’ (i.e. roetsjbaan) is de term waarmee Byatt Mitchells werk de hemel in prees. Bekroond met de Mail on Sunday/John Llewellyn Rhys Prize en genomineerd voor de Guardian First Book Award, meteen de springplank naar een tweede roman, number9dream (2001 — vert. DroomNummerNegen), die voor de James Tait Black Memorial Prize en de Booker Prize genomineerd werd. Intussen werd Mitchell geselecteerd voor Granta’s Best of Young British Novelists (2003). Voor zijn derde, meest ambitieuze roman, Cloud atlas (2004 — vert. Wolkenatlas) kon hij al op een breed publiek rekenen dat dankzij een tweede Booker Prize-nominatie voor een massale verkoop zorgde. En net met zijn vierde roman Black Swan Green (2006 — vert. Dertien), neemt Mitchell wat gas terug. Geen nieuwe uitgesproken ‘rollercoaster’, maar een geslaagde introspectieve roman gebaseerd op biografische elementen. Op een moment dat hij wat op zijn lauweren kan rusten — een relatief begrip, want Mitchell is een van die schrijvers die ’s ochtends een roman afronden, om ’s namiddags aan een nieuwe te beginnen —, brengt hij het type roman waarmee doorgaans gedebuteerd wordt. Zijn leerschool (minstens één ongepubliceerde en naar eigen zeggen onleesbare roman, vol verwijzingen naar de internationale literatuur) heeft hij aan het oog van het publiek onttrokken, zodat hij vanaf zijn officiële debuut een opvallende maturiteit aan de dag heeft gelegd. David Mitchell is niet langer een beloftevol schrijver, hij heeft alles om een groot schrijver te zijn. Als hij op 15 september de shortlist haalt, is mathematisch gezien de kans groot dat hij met zijn derde nominatie de laureaat wordt van de Booker Prize.
Op het eerste gezicht zou je Mitchells romans kunnen zien als een aaneenschakeling van verhalen die net zo goed op zichzelf gelezen zouden kunnen worden. Maar van dichterbij bekeken gaat het om zorgvuldig opgezette constructies waarvan de delen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In De geestverwantschap maakt Mitchell een reis van Oost naar West doorheen negen verhalen die elk een sleutelmoment bevatten waarmee het volgende verhaal in gang gezet wordt. Soms letterlijk door door de muren van de verschillende leefwerelden te breken. Een onstoffelijk wezen — indirect op zoek naar de verloren materie — verplaatst zich van lichaam naar lichaam, van verhaal naar verhaal, en lijkt daarmee alle conventies van tijd en ruimte te overstijgen. Het centrale thema in De geestverwantschap is causaliteit; de vraag waarom dingen gebeuren. Elk van de verhalen geeft een aparte invalshoek op die causaliteit; zoals religieuze onderwerping, liefde, hebzucht of de historische ontwikkelingen. Op die manier ontwikkelde Mitchell gaandeweg wat hij de ‘innerlijke (of geheime) architectuur van de kunstenaar’ noemt. Daarbij worden structuur en thematiek in harmonie ontwikkeld, zodat er een onderliggende thematisch- architecturale blauwdruk ontstaat die het boek schraagt. De ideeën worden dan weerspiegeld in de structuur van het boek.
Hetzelfde geldt voor het grotendeels in Japan gesitueerde DroomNummerNegen, waarin de 20-jarige Eiji Miyake naar Tokio afzakt om zijn vader te vinden. Elk van de onderdelen uit deze wervelende queeste staat voor een bepaalde geestestoestand: fantasie, geheugen, dagdroom, nachtmerrie, het beeld, de geschiedenis...; in totaal acht verschillende manieren waarop de geest werkt. En elk van de delen is op een manier beschreven die dicht aanleunt bij de beschreven geestestoestand. Zo krijgt het tweede deel over het geheugen gedeeltelijk vorm in flashbacks, wordt het beeld in het derde deel verbeeld door videospelletjes en andere bewegende beelden, en het deel over geschiedenis toont hoe de geest het verleden structureert en er verhalen uit distilleert.
Deze innerlijke architectuur bereikt een voorlopig hoogtepunt in Wolkenatlas, waarin Mitchell zes verhalen, gescheiden door tijd en ruimte, van de 19e eeuw tot de verre toekomst, van Australië tot het West-Vlaamse Zedelghem (Mitchell heeft een band met Vlaanderen; hij nam vroeger de nachtboot om zich bv. in het ontwakende Brugge te kunnen verliezen) op een eigenzinnige manier met elkaar verbindt. Het geheim zit hier in de verschillende manieren om een verhaal over te brengen: dagboek, brieven, roman, memoires, interview of orale literatuur. Structureel probeert Mitchell het thema te onderschrijven door de ene verhaallijn de andere te laten omvatten of te ‘verslinden’, die op zijn beurt de volgende omvat en verslindt enz. Een structurele spiegel van de menselijke wreedheid doorheen de geschiedenis, die maakt dat groepen, stammen of individuen elkaar bejaagd en geplunderd hebben. In de praktijk geeft Mitchell vorm aan het boek door de eerste vijf verhalen slechts voor de helft te vertellen en na het centrale, futuristische verhaal, de onafgewerkte stukken verder aan te vullen in omgekeerde volgorde. Zo passen de verhalen in elkaar als het ene verticaal gespleten Russische poppetje in het andere. De klassieke nood aan afgeronde verhalen maakt dat Mitchell je in eerste instantie frustreert, door je van het ene onafgewerkte verhaal in het andere te loodsen. Een aanpak beïnvloed door Italo Calvino’s Als op een winternacht een reiziger, maar in de tweede helft van het boek vult Mitchell de verhalen alsnog aan.
In het recent vertaalde Dertien, een ontwikkelingsroman van een jonge stotteraar die noch op school noch thuis zijn draai vindt, is die structurele drang minder opvallend aanwezig. De 13-jarige jongen wordt over 13 maanden gevolgd in 13 hoofdstukken. Door niet de gaten tussen de verhalen in te vullen suggereert de auteur dat de leefwereld van een 13-jarige in schokken verloopt, vergelijkbaar met de groeischokken van het lichaam. Toch benadrukt Mitchell dat hij minder geïnteresseerd is in de structuur op zich dan in de harmonie van vorm en inhoud. Hoewel de uitgevers gaandeweg de innovatieve structuur van Mitchells boeken op de achterflap zijn gaan promoten, onderkent de lezer niet altijd die onderliggende architecturale structuur. Mitchell vergelijkt het met een wandeling in een kathedraal: “Ik begrijp de mechaniek niet van de krachten die eeuwenlang tonnen en tonnen steen torsen hoog boven je hoofd, en toch staat de kathedraal overeind.”
Ook wat zijn personages betreft, heeft Mitchell een gestructureerde manier van werken. Hij schrijft nl. kleine autobiografieën om hen beter te leren kennen. Voor de belangrijkste personages vult hij een bladzijde in zijn notitieboek (tegenwoordig werkt Mitchell de personages meer in zijn hoofd uit) waarin het personage vertelt over zichzelf, zijn relaties met andere personages en de thema’s die aan bod komen. Een personage wordt zo een matrix van onderlinge relaties en onderwerpen. Wanneer Mitchell dan zo’n personage vormgeeft, gaat hij in zijn eigen woorden de relaties van het personage afstemmen op de cruciale thema’s. Inzichten van de auteur die onmogelijk bij het personage zouden opkomen, worden tussen haakjes geplaatst. Ze worden de basis waarop Mitchell de sleutelscènes opbouwt. De autobiografieën helpen de auteur ook om een vastgelopen verhaal weer vlot te trekken. Bovendien lijkt het erop dat Mitchell langzamerhand een overkoepelend fictioneel universum aan het uitbouwen is, waarin personages uit het ene boek in een ander boek weer kunnen opduiken (als ze een waardevolle bijdrage kunnen leveren). Of het nu om verhaal, genre, taal, structuur, tijd of personage gaat, steeds opnieuw vind je bij Mitchell de drang om muren te slopen. Zijn vernieuwende schrijversuniversum lijkt op een oneindig ruimteoppervlak vol overlappende plooien en scheuren die ogenblikkelijke sprongen in tijd en ruimte en meervoudige invalshoeken mogelijk maken. Daardoor lijkt er een band met speculatieve fictie (i.e. sciencefiction), in de zin dat de schrijver zich niet voor alles hoeft te verantwoorden en de vrijheid heeft om te improviseren, zolang hij het op een consistente en overtuigende manier brengt. Hoewel Mitchell zich niet echt beïnvloed voelt door het genre, is hij er wel door aangetrokken (zijn nieuwe roman in de steigers zal zich in de toekomst afspelen). Speculatieve fictie is voor hem nl. een uitvergroting van wat al in literatuur zit; het transcenderen van tijd, plaats en dood. Alleen stopt het daar niet voor hem; hij wil alle mogelijke genre- en taalregisters opengooien, en de diversiteit van de wereldliteratuur in een wervelende leeservaring bundelen. Om Mitchell als schrijver te begrijpen, moet je Mitchell als lezer begrijpen.

David Mitchell: Dertien, Querido Amsterdam, 2006, 360p. , € 19,9. ISBN 90-214-7493-X
Vert. van: Black swan green door Arthur De Smet. Distributie: WPG Uitgevers
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswolf
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb