naar startpagina
"Voordat ik de krant van vandaag inkijk, moet ik eerst nog even het Oude Testament lezen, het Symposium van Plato, de Odysseia van Homerus, de Metamorfosen van Ovidius en de Koran." Leonard Nolens
“Lezen lijkt soms een exercitie om oprechtheid, moraal en waardigheid hoog te houden, juist op grond van het besef dat overal ter wereld voor deze begrippen elke grondslag onverbiddelijk ontbreekt.” Anneke Brassinga
“Het lezen geeft ons toversleutels om diep in ons de deur te openen van vertrekken waar we zelf niet hadden kunnen komen” Marcel Proust
"Het schrift vormt enkel de partituur van de aria die de lezer moet zingen." Francisco Umbral
“Men schrijft op louter het puntje van het weten, op het uiterste puntje dat ons weten scheidt van het niet-weten, en dat het een doet overgaan in het ander.” Gilles Deleuze
de leeswelp,  2009,  nr. 8 / november
Een eeuw geschiedenis in boekformaat
Brigitte Raskin : De gestolen prinses / door Lien Fret
Laat jongeren een tekst lezen over de 16e-eeuwse Habsburgers en je krijgt gegarandeerd een hoop gezeur. Brigitte Raskins eerste jeugdboek De gestolen prinses zal bij jonge lezers waarschijnlijk wat minder stof doen opwaaien. In deze prachtig uitgegeven roman volgt Raskin Isabella (oftewel Ysabeau of Elisabeth) van Habsburg doorheen haar korte, maar bewogen leven. Tegelijkertijd geeft An, de vertelster, haar door een ongeluk mentaal gehandicapte zus een vereenvoudigde maar heel doorleefde versie van Ysabeaus tragische geschiedenis. Door het ongeval werden de twee zussen, net als Isabella, in een keurslijf gedwongen: “de één door het noodlot, de ander door het leven”, zo formuleert Raskin het zelf in een interview met ‘Knack’.

Raskin is als schrijfster vooral bekend dankzij haar debuut Het koekoeksjong (Kritak, 1988) waarvoor ze in 1989 de AKO Literatuurprijs ontving. In haar recentste boek voor volwassenen Hartenheer (Van Halewyck, 2001) waagde ze zich al eens eerder aan een verhaal over de Deense Christiaan II en zijn vrouw Isabella. Gefascineerd door de vorst reisde ze hem achterna en onderzocht ze de complexe historische context waarin hij regeerde. Het boek brengt een persoonlijk verslag van die zoektocht. Raskin was naar eigen zeggen echter nog niet helemaal klaar met de familie. En dus wijdde ze een tweede boek aan de huwelijks- en machtsperikelen van de Habsburgers, ditmaal voor een jonger doelpubliek. De hoofdpersonages hadden dan ook nog maar net de tienerjaren bereikt toen ze verplicht werden hun regeer- of huwelijksverantwoordelijkheden op te nemen.

Historische fictie

Raskins historische roman speelt zich dit keer niet helemaal af in een ver verleden. Historische passages worden afgewisseld met hedendaagse die gebaseerd zijn op waargebeurde feiten. In het stadhuis van Mechelen vond in 1984 een vreemde diefstal plaats. Aan het begin van De gestolen prinses neemt An, dan al een zestiger, de verantwoordelijkheid op zich voor het vernielen van het schilderij ‘Poppenspel aan het Hof van Margareta van Oostenrijk’. Als schooljuf van 35 sneed ze vakkundig prinses Isabella uit het schilderij en in de rest van het verhaal doet ze haar motieven voor die diefstal uit de doeken.
Door een auto-ongeluk wordt An als kind wees. Haar oudere zus Els komt mentaal en fysiek gehandicapt uit een coma. Aanvankelijk lijkt de situatie uitzichtloos, maar met de steun van tante Leen leert An steeds beter om te gaan met de beperkingen van Els. Gewapend met foto’s van afbeeldingen van de Habsburgers houdt de jonge vrouw haar zus bij de les van hun complexe familiegeschiedenis. Onder het oppervlak van dat historische relaas is de zestigjarige vertelster duidelijk aanwezig. Ten eerste druipt het boek van een soort nostalgie waaraan jonge lezers misschien weinig boodschap zullen hebben. Zo haalt An herinneringen op aan de Historia-albums die zij en Els gebruikten bij het schooltje spelen, en aan het ebbenhouten dominospel, het favoriete spel van “het Bibelebontse dominotrio”.
Ook laat de vertelster haar fantasie wel eens een loopje nemen met de historische werkelijkheid. Maar wat zijn juist de ‘ware feiten’? Bestaat er überhaupt wel zoiets als de geschiedkundige waarheid? Dit is slechts een aantal van de vragen die Raskins metadiscours oproept. “Ik verfraaide mijn verhaal voor haar [Els] en dikte het aan met verzinsels”, beweert An op pagina 50, na de lezer al tientallen bladzijden lang verhalen te hebben gebracht die op geen enkele manier lieten vermoeden dat ze niet op historische documenten gebaseerd waren. En daar laat de vertelster het niet bij. Even later geeft ze toe dat ze ook wat tante Leen betreft, soms haar toevlucht moet zoeken tot verzinsels: “Sindsdien denk ik dikwijls dat ik over tante Leen niet meer weet dan over tante Margareta [van Oostenrijk] en dik ik het verhaal van de een aan met dat van de ander.” 
Dat An de grenzen tussen werkelijkheid en fictie laat vervagen, blijkt ook uit een intertekstuele verwijzing naar het bekende sprookje De rattenvanger van Hameln: “De stad was trouwens vergeven van smaadschriften tegen Christiaan zoals Hameln eeuwen eerder van de ratten.” Raskin brengt een historisch feit in verband met een gebeurtenis die lezers die het sprookje kennen als fictief zullen beschouwen, alsof grenzen tussen feit en fictie eenvoudigweg niet bestaan.
Raskin laat lezers niet alleen nadenken over kijken naar de werkelijkheid. Ze probeert hen ook anders te doen kijken naar kunst. Kunst staat net als de historische werkelijkheid open voor interpretatie. An beschrijft hoe ze kunst anders leerde bekijken: “Mijn aandacht verschoof van wat erop stond […] naar hoe het erop stond […].”. En verderop zaait ze zelfs wat twijfel over het oordeel van kunstkenners. Een schets van koningin Elisabeth is in Ans verbeelding voorafgegaan aan een gedetailleerder, ingekleurd portret. Kenners zijn echter van mening dat het omgekeerde gebeurd is: een Nederlandse schilder maakte het portret en een leerling tekende het na om te oefenen. Wie moet de lezer geloven: de fantasierijke vertelster die een heel geloofwaardig verhaal opdist of de kunstkenners?

Geschiedenis in stijl

De soms ver doorgedreven link tussen de relatie van de Habsburgse zusjes met hun familie en die tussen An, Els en tante Leen zorgt voor mooie, subtiele overgangen tussen de historische en de hedendaagse delen van het boek. En hoewel Raskin in De gestolen prinses de kracht van suggestieve scènes ontdekt lijkt te hebben, steken die passages omwille van hun verbeeldingskracht sterk af tegen de rest van het boek. De vertelster dringt bij momenten nl. te zeer haar eigen waardeoordeel aan de lezers op, alsof die lezers dezelfde mentale achterstand hebben als haar zus. Haar intenties zijn in zulke passages wél goed. Ze tracht lezers te doen nadenken over de werkelijkheid achter de starre portretten, want “weten we veel hoe het leven van die edele dames en heren écht was. […] Op portretten zien hun gezichten eruit als die van mensen van vandaag en hoogstwaarschijnlijk kan dat ook gezegd worden van hun gevoelens.” Raskin neemt de lezer in deze fragmenten te veel bij het handje.
Op andere momenten lijkt Raskin merkwaardig genoeg dan weer vooral meer belezen lezers aan te spreken, bv. als ze het heeft over “de storm” die Luther heette: “Hij blies in Duitsland en ver over de grenzen vele heilige huisjes omver en schudde de corrupte roomse wereld door elkaar.” Raskin speelt wel vaker met mooie metaforen, gebruikmakend van beelden en intertekstuele verwijzingen die ze elders in haar boek laat terugkomen. Zo zegt ze over Elisabeth, die bewusteloos werd weggedragen van haar eigen trouwfeest: “Arm koninginnetje […] — de kleine zeemeermin leek nu eerder op een dood visje dat is aangespoeld op het strand”, in deze vergelijking verwijzend naar Hans Christian Andersen, die ook over de geschiedenis van de Deense hoofdstad en het koningspaar geschreven heeft.
Raskin wilde schrijven over sterke vrouwen en dus koos ze voor interessante figuren die door hun opmerkelijke positie de nieuwsgierigheid van de jonge lezer kunnen wekken, daarbij af en toe de historische feiten naar eigen goeddunken aan- en invullend. Ze schrijft over vrouwen die zich voor de buitenwereld sterk moeten houden, zoals Johanna van Castilië, Isabella’s moeder, die haar kinderen ‘vrijwillig’ moest achterlaten: “haar lippen trillen, een spannend moment lang, maar dan ontplooit ze haar jeugdige, stralende lach”. Voor Christiaans minnares, de Nederlandse Duveke, en haar moeder die jarenlang optrad als de vertrouwelinge van de koning, was al een rol weggelegd in Hartenheer, maar de twee figuren blijven ook in dit boek tot de verbeelding spreken. Toch kiest Raskin niet voor een eenzijdig vrouwelijk perspectief. Ook Christiaans lot wordt belicht wanneer de vertelster zich plots in zijn schoenen verplaatst.
Raskin laat lezers op een unieke manier kennismaken met de complexe familiegeschiedenis van de Habsburgers. Dankzij de vragen die ze opwerpt rond historische (non-)fictie, doet ze haar lezers met andere ogen naar die geschiedenis kijken. En indien het jonge doelpubliek zich niet laten afschrikken door de soms moraliserende ondertoon of de langdradige passages, kan het zich laten onderdompelen in een mooie tijdsschets die de starre portretten van de Habsburgers opnieuw tot leven wekt.

Brigitte Raskin: De gestolen prinses, Davidsfonds/Infodok, 2009, 160 p., € 16,50
ISBN 9789059082861
Bestel dit nummer of abonneer u op de Leeswelp
print  deze pagina printen of opslaan   print  stuur deze pagina door
© 2010 | vlabin-vbc vzw | another cms by dataweb